In het kort: Deze begrippenlijst biedt heldere, neutrale definities van belangrijke termen rond ETF-beleggen in Europa, zoals lopende kosten (TER), het essentiële-informatiedocument (Eid), accumulerende aandelenklassen, tracking difference en dividendlekkage. Elk begrip verklaart de financiële werking zonder jargon en verwijst door naar diepgaande achtergrondartikelen en rekenvoorbeelden op de website.
Korte uitleg bij de begrippen die je tegenkomt in de ETF-calculator, in de rekenvoorbeelden en bij het vergelijken van fondsen. Op zoek naar een route voor het begin? Zie Beginnen met beleggen. Ga direct naar: Basis · Kosten · Fondsen · Belasting · Aandelenbegrippen
Alle begrippen
| Begrip | Betekenis |
|---|---|
| Basis | |
| ETF | Een ETF (exchange traded fund) is een beleggingsfonds dat je op de beurs koopt en verkoopt, net als een aandeel. |
| Indexfonds | Een fonds dat een index probeert te volgen in plaats van zelfstandig beleggingen te selecteren. |
| Index | Een maatstaf die volgens vaste regels een markt of groep beleggingen volgt, zoals aandelen of obligaties, met regels voor samenstelling en weging. |
| UCITS | UCITS is een Europees gereguleerd type beleggingsfonds met regels over beleggingen, spreiding, toezicht en informatie aan beleggers. |
| ISIN | Een code van twaalf tekens die één effect wereldwijd uniek aanduidt. |
| Beleggingshorizon | De tijd dat je je geld belegd wilt laten staan voordat je het nodig hebt. |
| Periodiek inleggen | Op vaste momenten een vast bedrag beleggen, bijvoorbeeld elke maand. |
| Samengesteld rendement | Rente op rente, ook wel samengesteld rendement: wat je eerder hebt verdiend, groeit daarna mee. |
| Bruto en netto | In de calculator is bruto het saldo zonder fondskosten en netto het saldo na aftrek van de lopende kosten (TER). |
| Inflatie en koopkracht | Inflatie is een brede stijging van prijzen van goederen en diensten; daardoor kun je doorgaans minder kopen voor hetzelfde bedrag. |
| Rendement | Wat een belegging over een periode oplevert, als percentage; het kan ook negatief zijn. |
| Broker | Het bedrijf via welke je ETF’s en aandelen koopt en verkoopt. |
| Portefeuille | Alles waarin je belegt, samen genomen. |
| Benchmark | Een vergelijkingsmaatstaf, meestal een beursindex, waartegen het rendement en risico van een fonds worden afgezet. |
| Inleg | Het toevoegen van nieuw geld aan een beleggingsrekening, bijvoorbeeld maandelijks. |
| Limietorder | Een beursopdracht om een effect alleen aan te kopen of te verkopen tegen een vooraf ingestelde prijs of beter. |
| Liquiditeit | Hoe snel en gemakkelijk een effect kan worden gekocht of verkocht zonder grote koersschommelingen te veroorzaken. |
| Marktkapitalisatie | De totale beurswaarde van alle uitstaande aandelen van een beursgenoteerd bedrijf. |
| Obligaties | Een lening aan een overheid of bedrijf die gedurende de looptijd rente uitkeert en aan het eind wordt afgelost. |
| Totaalrendement | Het gezamenlijke resultaat van koersveranderingen en ontvangen dividenden. |
| Volatiliteit | De mate waarin de koers van een belegging over een bepaalde periode schommelt. |
| Activa | Bezittingen met economische waarde, zoals geld, aandelen of vastgoed, binnen een portefeuille. |
| Vermogensverdeling | Het verdelen van een portefeuille over hoofdcategorieën zoals aandelen, obligaties en geld. |
| Beleggingscategorie | Een groep beleggingen met vergelijkbare eigenschappen, zoals aandelen of obligaties. |
| Basispunt | Een honderdste van een procentpunt (0,01%), gebruikt voor kosten- en renteverschillen. |
| Berenmarkt | Een langdurige periode van dalende beurskoersen en somber beleggerssentiment. |
| Stierenmarkt | Een langdurige periode van stijgende koersen gedreven door optimisme en groei. |
| Standaarddeviatie | Een statistische maat voor de spreiding van rendementen rond het gemiddelde. |
| Recessie | Een periode van economische krimp waarin de algehele activiteit terugloopt. |
| Deflatie | Een aanhoudende brede daling van het algemene prijspeil in een economie. |
| Stagflatie | Een combinatie van stagnerende economische groei en aanhoudend hoge inflatie. |
| Wisselkoers | De verhouding waarin twee verschillende munteenheden tegen elkaar worden verhandeld. |
| Kosten | |
| TER (lopende kosten) | TER is een jaarlijkse maatstaf voor de doorlopende bedrijfskosten van een fonds, als percentage van het fondsvermogen. Niet alle handels- en beleggerskosten vallen eronder. |
| Kosten-erosie | Wat de fondskosten over de hele looptijd oplopen: het verschil tussen het bruto en het netto saldo in de calculator. |
| Transactiekosten | Transactiekosten kunnen ontstaan wanneer je via een broker koopt of verkoopt en wanneer een fonds zelf beleggingen verhandelt; de verwerking verschilt. |
| Spread | Het verschil tussen de prijs waarvoor je op de beurs kunt kopen (laatkoers) en verkopen (biedkoers). |
| Valutakosten | Kosten voor het omwisselen van geld als je een fonds koopt in een andere munt dan die op je rekening, bijvoorbeeld een notering in dollars. |
| Dividendlekkage | Dividendlekkage is bronbelasting op dividend binnen een fonds die het fonds niet kan terugvragen; dat kan het fondsrendement verlagen. |
| Tracking difference | Het verschil tussen het rendement van een fonds en dat van de index die het volgt, over een bepaalde periode. |
| Marketmaker | Een financiële partij die doorlopend koop- en verkoopkoersen afgeeft om liquiditeit op de beurs te waarborgen. |
| Tracking error | De beweeglijkheid van het rendementsverschil tussen een ETF en zijn benchmarkindex. |
| Valutarisico | Het risico dat wisselkoersschommelingen de waarde van buitenlandse beleggingen beïnvloeden. |
| Valutahedging | Het gebruik van financiële contracten om wisselkoersschommelingen af te dekken. |
| Fondsen | |
| Accumulerend | Een accumulerend fonds keert dividend niet uit, maar belegt het opnieuw in het fonds. |
| Distribuerend | Een distribuerend fonds keert dividend uit, bijvoorbeeld elk kwartaal. |
| Domicilie | Het land waar een fonds juridisch gevestigd is, zoals Ierland of Luxemburg. |
| Essentiële-informatiedocument (Eid) | Voor verpakte beleggingsproducten waarvoor de PRIIPs-regels gelden, geeft het essentiële-informatiedocument (Eid) vooraf informatie over het product, risico’s, mogelijke uitkomsten en kosten (maximaal drie A4-zijden). |
| Fysieke en synthetische replicatie | Bij fysieke replicatie houdt een fonds alle of een selectie van de indexbeleggingen aan. Bij synthetische replicatie gebruikt het derivaten, meestal swaps, met tegenpartijrisico. |
| Aandelenklasse | Hetzelfde fonds in een andere versie, zoals accumulerend of distribuerend. |
| Ticker | Een korte handelscode voor een fonds op één beurs. |
| Uitgever | De uitgever of aanbieder brengt een fonds op de markt. Het beheer kan bij een afzonderlijke beheerder liggen. |
| Factsheet | De eigen samenvatting van de fondsaanbieder met de belangrijkste cijfers. |
| Basismunt | De officiële administratieve munteenheid van een ETF, los van de handelsvaluta op de beurs. |
| Effectenlening | Het tijdelijk uitlenen van effecten uit het fonds aan tegenpartijen tegen onderpand en een vergoeding (securities lending). |
| Fondsvermogen (AUM) | De totale marktwaarde van alle bezittingen die door een beleggingsfonds worden beheerd. |
| Herweging | Het periodiek aanpassen van de effecten in een index of portefeuille aan de vooraf bepaalde wegingen. |
| Ontwikkelde markten | Landen met een volwassen economie, een hoog inkomen per inwoner en gevestigde financiële markten. |
| Opkomende markten | Snelgroeiende economieën met financiële markten die volwassen worden. |
| PRIIPs | Het Europese regelgevingskader voor verplichte consumenteninformatie via het Essentiële-informatiedocument. |
| Prospectus | Het officiële juridische document dat het beleid, de risico’s en de voorwaarden van een fonds beschrijft. |
| Risico-indicator | Een gestandaardiseerde score van 1 tot 7 die het markt- en kredietrisico weergeeft. |
| Small-caps | Beursgenoteerde ondernemingen met een relatief kleine marktkapitalisatie. |
| Actief beheer | Een beleggingsstijl waarbij fondsbeheerders zelf effecten kiezen om een index te verslaan. |
| Passief beheer | Een strategie die de samenstelling en het rendement van een vaste index repliceert. |
| Geautoriseerde deelnemer | Een financiële instelling die rechtstreeks ETF-aandelen creëert en inlevert bij het fonds. |
| Creatie-eenheid | Een groot pakket ETF-aandelen dat institutioneel wordt gebruikt voor creatie en inkoop. |
| Netto-inventariswaarde (NIW) | De totale bezittingen van een fonds minus schulden, gedeeld door het aantal aandelen. |
| Premie ten opzichte van NIW | De situatie waarin de beurskoers van een ETF hoger noteert dan de intrinsieke waarde. |
| Discount ten opzichte van NIW | De situatie waarin de beurskoers van een ETF lager noteert dan de intrinsieke waarde. |
| Tegenpartijrisico | Het risico dat een contractpartij haar financiële afspraken niet nakomt. |
| Staatsobligatie | Een schuldinstrument uitgegeven door een nationale overheid om uitgaven te financieren. |
| Bedrijfsobligatie | Een obligatie uitgegeven door een onderneming om financiering aan te trekken. |
| Coupon(rente) | De periodieke rentevergoeding die een obligatie-uitgever uitkeert op de nominale waarde. |
| Nominale waarde | Het vaste hoofdbedrag van een obligatie dat bij afloop wordt afgelost. |
| Vervaldatum | De datum waarop een obligatielening definitief wordt afgelost. |
| Variabelrentende obligatie | Een obligatie waarvan de couponrente periodiek meebeweegt met een referentierente. |
| Vastrentende obligatie | Een obligatie met een vooraf vastgestelde, onveranderlijke couponrente. |
| Nulcouponobligatie | Een obligatie zonder periodieke rente die met korting op pari wordt uitgegeven. |
| Obligatie van beleggingskwaliteit | Een obligatie met een solide kredietbeoordeling (minimaal BBB-) en lager wanbetalingsrisico. |
| Hoogrentende obligatie | Een obligatie met een lagere kredietrating en hogere rente ter compensatie van risico. |
| Effectief rendement tot vervaldag | Het totale jaarlijkse rendement van een obligatie bij aanhouden tot de vervaldatum. |
| Kredietrisico | Het risico dat een lener of obligatie-uitgever rente of aflossing niet kan voldoen. |
| Renterisico | Het risico dat stijgende marktrentes de koers van bestaande obligaties drukken. |
| Kredietrating | Een beoordeling door ratingbureaus van de kredietwaardigheid van een debiteur. |
| Wanbetaling | Het niet tijdig nakomen van rente- of aflossingsverplichtingen door een debiteur. |
| Alfa | Het meerrendement van een belegging ten opzichte van de benchmark, gecorrigeerd voor risico. |
| Bèta | Een maatstaf voor de gevoeligheid en beweeglijkheid van een effect ten opzichte van de markt. |
| ESG-criteria | Maatstaven voor milieu, maatschappij en bestuur die worden meegewogen bij beleggingen. |
| Belasting | |
| Box 3 | Het deel van de Nederlandse inkomstenbelasting voor sparen en beleggen. |
| Heffingsvrij vermogen | Heffingsvrij vermogen is een vrijstelling bij de standaardberekening van box 3. Bij de berekening op basis van werkelijk rendement geldt die vrijstelling niet. |
| Dividendbelasting | Dividendbelasting is belasting die een uitkerende vennootschap doorgaans inhoudt op dividend. Welke regels en uitzonderingen gelden, hangt af van het land. |
| Fiscale beleggingsinstelling (FBI) | Een fiscale beleggingsinstelling (fbi) kan onder wettelijke voorwaarden een nultarief voor de vennootschapsbelasting toepassen. Daarvoor gelden onder meer eisen aan winstuitkering. |
| Aandelenbegrippen | |
| Aandeel | Een klein stukje eigendom van een bedrijf. |
| Aandeelhouder | Iemand die één of meer aandelen van een bedrijf bezit en daarmee een klein deel van dat bedrijf. |
| Beurs | De markt waar aandelen en ETF’s worden gekocht en verkocht, via een broker. |
| Koers | De prijs van een aandeel of ETF op een bepaald moment. |
| Dividend | Een deel van de winst dat een bedrijf uitkeert aan zijn aandeelhouders. |
| Concentratierisico | Het risico dat een groot deel van je geld in één bedrijf of één onderdeel van de markt zit. |
| Spreiding | Spreiding verdeelt geld over verschillende beleggingen. Dat kan de gevolgen van één tegenvaller beperken, maar voorkomt niet dat een portefeuille daalt. |
| Dividendrendement | Het jaarlijkse dividend van een aandeel of fonds uitgedrukt als percentage van de beurskoers. |
| Ex-dividenddatum | De dag waarop een aandeel of ETF noteert zonder het recht op de eerstvolgende dividenduitkering. |
| Biedprijs | De hoogste prijs waartegen een koper op dat moment bereid is een effect aan te kopen. |
| Laatprijs | De laagste prijs waartegen een verkoper bereid is een effect aan te bieden. |
| Marketorder | Een opdracht om direct te kopen of verkopen tegen de actuele marktprijs. |
| Stoplossorder | Een verkoopopdracht die automatisch triggert zodra een stopkoers wordt bereikt. |
| Stoplimietorder | Een opdracht die een limietorder inlegt zodra een stopkoers wordt geraakt. |
| Primaire markt | De markt waar nieuwe effecten voor het eerst worden uitgegeven en geplaatst. |
| Secundaire markt | De beurs waar beleggers reeds bestaande effecten onderling verhandelen. |
| Derivaat | Een financieel contract waarvan de waarde afhangt van een onderliggend effect of index. |
| Onderliggende waarde | Het basisproduct of de index waarop een afgeleid instrument of fonds is gebaseerd. |
| Future (termijncontract) | Een termijncontract om een onderliggende waarde op een vaste datum tegen een afgesproken koers te verhandelen. |
| Optie | Een contract dat het recht geeft om een effect te kopen of verkopen tegen een vaste prijs. |
| Largecaps | Aandelen van grote, gevestigde ondernemingen met een hoge beurswaarde. |
| Midcaps | Aandelen van middelgrote beursgenoteerde bedrijven qua marktkapitalisatie. |
| Grondstof | Een verhandelbaar basisproduct zoals olie, goud of graan op internationale markten. |
| Kasstroom | Het daadwerkelijke geld dat in een periode een onderneming in- en uitstroomt. |
| Nettowinst | Het winstresultaat van een onderneming na aftrek van alle kosten en belastingen. |
| Winst per aandeel | De nettowinst van een bedrijf gedeeld door het aantal uitstaande aandelen. |
| Koers-winstverhouding | Een verhoudingsgetal dat de beurskoers vergelijkt met de winst per aandeel. |
| Short gaan | Het verkopen van geleende effecten om ze later goedkoper terug te kopen. |
| Longpositie | Het daadwerkelijk bezitten van een effect in afwachting van koersstijging. |
| Solvabiliteit | Het vermogen van een organisatie om op lange termijn aan financiële verplichtingen te voldoen. |
Welke basisbegrippen moet elke beginnende belegger kennen?
ETF
Een ETF (exchange traded fund) is een beleggingsfonds dat je op de beurs koopt en verkoopt, net als een aandeel. De meeste ETF’s volgen een index en kopen daarvoor de aandelen of obligaties uit die index, of een representatieve selectie ervan. De koers verandert gedurende de handelsdag.
Indexfonds
Een fonds dat een index volgt in plaats van zelf aandelen uit te kiezen (door toezichthouders zoals de AFM formeel aangeduid als indexbeleggingsfonds). Een ETF is vaak een indexfonds, maar er zijn ook indexfondsen die niet op de beurs worden verhandeld. Die koop je bij de aanbieder zelf, meestal tegen één koers per dag.
Index
Een lijst van bedrijven met regels voor hoe zwaar elk bedrijf meetelt, zoals de MSCI World of de FTSE All-World. Een index zelf kun je niet kopen, een fonds dat de index volgt wel. Verschillende indexen hebben verschillende rendementen en risico’s.
UCITS
Het Europese regelkader voor beleggingsfondsen die aan particulieren in de EU worden aangeboden, met regels over spreiding, toezicht en informatie (in de Nederlandse wetgeving aangeduid als icbe: instelling voor collectieve belegging in effecten). UCITS-fondsen hebben een Essentiële-informatiedocument. Amerikaanse ETF’s hebben dat meestal niet en worden daarom in de EU niet aan particulieren aangeboden. Daarom staan in de calculator alleen UCITS-fondsen. Lees wat UCITS eist.
ISIN
Een code van twaalf tekens die één effect wereldwijd uniek aanduidt. De eerste twee letters geven het land aan, bijvoorbeeld IE voor Ierland. Met de ISIN vind je het juiste fonds terug bij een broker of in documenten, ook als het op verschillende beurzen een andere afkorting heeft.
Beleggingshorizon
De tijd dat je je geld belegd wilt laten staan voordat je het nodig hebt. In de calculator heet dat de looptijd, van 1 tot 40 jaar. Hoe langer de horizon, hoe meer tijd een daling heeft om zich te herstellen. Zekerheid geeft dat niet.
Periodiek inleggen
Op vaste momenten een vast bedrag beleggen, bijvoorbeeld elke maand. Je koopt dan zowel bij hoge als bij lage koersen en hoeft niet te kiezen wanneer je instapt. De calculator telt de maandelijkse inleg aan het eind van elke maand bij. Zie het voorbeeld €100 per maand.
Samengesteld rendement
Rente op rente, ook wel samengesteld rendement: wat je eerder hebt verdiend, groeit daarna mee. Daardoor groeit een bedrag bij een vast percentage niet in een rechte lijn maar steeds sneller. De calculator rekent per maand; 6% per jaar wordt 0,5% per maand. Meer op Hoe het werkt.
Bruto en netto
In de calculator is bruto het saldo zonder fondskosten en netto het saldo na aftrek van de lopende kosten (TER). Andere kosten en belasting zitten in geen van beide. Het verschil tussen bruto en netto is de kosten-erosie.
Inflatie en koopkracht
Inflatie is de stijging van prijzen. Door inflatie kun je later met hetzelfde bedrag minder kopen: de koopkracht daalt. In de calculator kun je onder ‘Geavanceerd’ zelf een inflatie per jaar kiezen; dan zie je de bedragen in huidig geld. Dat is een aanname, geen echte inflatiecijfers. Zonder die instelling is een eindbedrag over 30 jaar minder waard dan hetzelfde bedrag vandaag.
Rendement
Wat een belegging over een periode oplevert, als percentage: koerswijzigingen plus dividend, of dat nu herbelegd of uitgekeerd wordt. Rendement kan negatief zijn en verschilt van jaar tot jaar. In de calculator kies je het rendement zelf; zie bruto en netto voor wat er na fondskosten overblijft. Rendement uit het verleden zegt niets zekers over de toekomst.
Broker
Het bedrijf via welke je ETF’s en aandelen op een beurs koopt en verkoopt. Brokers verschillen in wat ze per transactie rekenen en in andere kosten, zoals valutakosten. De calculator toont brokers in neutrale volgorde; die lijst is informatie, geen aanbeveling.
Portefeuille
Alles waarin je belegt, samen genomen: al je fondsen en aandelen. Een brede ETF is zelf al een kleine portefeuille van veel bedrijven. Hoe een portefeuille gespreid is, is waar spreiding over gaat.
Benchmark
Een benchmark is een vergelijkingsmaatstaf, meestal een beursindex, waartegen het rendement en het risico van een beleggingsfonds worden afgezet. Voor een passieve index-ETF is de benchmark de specifieke index die het fonds zo nauwkeurig mogelijk probeert te volgen. De MSCI World-index dient bijvoorbeeld als benchmark voor ETF’s die aandelen uit ontwikkelde landen volgen. Zie ook MSCI World.
Inleg
De inleg is het bedrag dat je aan je beleggingsrekening toevoegt, hetzij als eenmalige storting, hetzij periodiek. Bij samengesteld rendement vergroot een regelmatige inleg gestaag het vermogen dat op de beurs rendement kan opleveren. Wie bijvoorbeeld 20 jaar lang elke maand €100 inlegt, bouwt over die periode een eigen inleg op van €24.000 vóór rendement en kosten. Zie ook ETF-calculator.
Limietorder
Een limietorder is een beursopdracht aan je broker om een effect alleen aan te kopen of te verkopen tegen een vooraf ingestelde maximale koopprijs of minimale verkoopprijs. Dit beschermt de belegger tegen onverwachte koersschommelingen tijdens het uitvoeren van de order. Met een limietorder om een ETF voor maximaal €80 te kopen, voorkom je bijvoorbeeld dat je transactie wordt uitgevoerd als de koers onverwacht doorschiet naar €82. Zie ook Wat is een aandeel?.
Liquiditeit
Liquiditeit geeft aan hoe eenvoudig en snel een effect op de beurs kan worden verhandeld zonder dat dit leidt tot grote koersschommelingen. Bij ETF’s wordt de liquiditeit bepaald door zowel het handelsvolume op de beurs als de verhandelbaarheid van de onderliggende aandelen in het fonds. Een grote wereldwijde aandelen-ETF heeft bijvoorbeeld een hoge liquiditeit, waardoor transacties vlot worden uitgevoerd met een kleine spread. Zie ook S&P 500.
Marktkapitalisatie
Marktkapitalisatie is de totale beurswaarde van alle uitstaande aandelen van een onderneming, berekend door de actuele beurskoers te vermenigvuldigen met het aantal aandelen. De meeste brede index-ETF’s wegen bedrijven op basis van hun marktkapitalisatie (free-float), waardoor grotere ondernemingen een zwaarder gewicht krijgen. Een bedrijf met een beurswaarde van €500 miljard weegt in de index bijvoorbeeld tienmaal zo zwaar als een bedrijf van €50 miljard. Zie ook MSCI World.
Obligaties
Een obligatie is een lening aan een overheid of bedrijf die gedurende een vaste looptijd rente (couponrente) uitkeert en aan het eind van de looptijd wordt afgelost. In een beleggingsportefeuille schommelen obligaties over het algemeen minder dan aandelen, tegen een lager verwacht langetermijnrendement. Een belegger kan bijvoorbeeld naast aandelen-ETF’s ook staatsobligaties aanhouden om de waardeschommelingen te dempen. Zie ook Beurscrash simulator.
Totaalrendement
Totaalrendement is het complete resultaat van een belegging over een periode, bestaande uit zowel de koersontwikkeling (koerswinst of -verlies) als alle ontvangen dividenden. Bij een accumulerende ETF wordt het totaalrendement direct weerspiegeld in de koers van het fonds doordat dividenden automatisch worden herbelegd. Als de koers van een belegging bijvoorbeeld met 3% stijgt en er 2% aan dividend wordt uitgekeerd, bedraagt het totaalrendement ongeveer 5% vóór kosten en belastingen. Zie ook FTSE All-World High Dividend.
Volatiliteit
Volatiliteit is de beweeglijkheid van de koers van een belegging over een bepaalde periode. Een hogere volatiliteit duidt op sterkere en snellere koersschommelingen, maar zegt niets over de richting van het uiteindelijke rendement op lange termijn. Een aandelen-ETF kent bijvoorbeeld een aanzienlijk hogere volatiliteit dan een spaarrekening, waardoor het saldo op korte termijn flink kan stijgen of dalen. Zie ook Hoe lees je een factsheet?.
Activa
Activa zijn alle bezittingen met economische waarde van een persoon, bedrijf of fonds, zoals geld, aandelen of vastgoed. Binnen beleggen vormen verschillende activa de bouwstenen van een beleggingsportefeuille. Een aandelen-ETF houdt bijvoorbeeld losse bedrijfsaandelen aan als onderliggende activa. Zie ook Wat is een aandeel?.
Vermogensverdeling
Vermogensverdeling is de verdeling van een beleggingsportefeuille over verschillende hoofdcategorieën, zoals aandelen, obligaties en contant geld. Deze verdeling stemt het verwachte rendement af op het gewenste risiconiveau en de beleggingshorizon. Een defensieve belegger kan bijvoorbeeld kiezen voor 40% obligaties en 60% aandelen. Zie ook Risico en spreiding.
Beleggingscategorie
Een beleggingscategorie is een groep beleggingen met vergelijkbare financiële eigenschappen, regelgeving en marktgedrag. De klassieke hoofdcategorieën zijn aandelen, obligaties, geldmarktinstrumenten en grondstoffen. Aandelen en obligaties vormen bijvoorbeeld twee afzonderlijke categorieën die doorgaans verschillend reageren op economische ontwikkelingen. Zie ook Wat is een ETF?.
Basispunt
Een basispunt is een financiële rekeneenheid gelijk aan een honderdste van één procentpunt (0,01% of 0,0001). Het wordt gebruikt om kleine verschillen in rentetarieven, obligatierendementen en fondskosten exact uit te drukken. Een verschil in lopende kosten van 0,07% naar 0,22% bedraagt bijvoorbeeld 15 basispunten. Zie ook Wat kost een ETF?.
Berenmarkt
Een berenmarkt (bear market) is een langdurige periode waarin beurskoersen overwegend dalen, vaak gedefinieerd als een daling van 20% of meer vanaf de recente piek. Berenmarkten gaan doorgaans gepaard met economische tegenwind en somber beleggerssentiment. Na het uiteenspatten van de dotcombubbel in 2000 maakten wereldwijde beurzen bijvoorbeeld een meerjarige berenmarkt door. Zie ook De dotcombubbel.
Stierenmarkt
Een stierenmarkt (bull market) is een langdurige periode waarin beurskoersen overwegend stijgen, ondersteund door optimisme onder beleggers en economische groei. Tijdens een stierenmarkt nemen bedrijfswinsten en aandelenwaarderingen over een breed front toe. Na herstel van een economische crisis kunnen aandelenindices bijvoorbeeld meerdere jaren achtereen een stierenmarkt vormen. Zie ook De dotcombubbel.
Standaarddeviatie
De standaarddeviatie is een statistische maatstaf die aangeeft hoe sterk historische rendementen van een belegging schommelen rond het gemiddelde. Een hogere standaarddeviatie wijst op grotere koersuitslagen en daarmee op een hogere historische beweeglijkheid. Op een fondsfactsheet staat vaak de driejarige geannualiseerde standaarddeviatie vermeld om inzicht te geven in de volatiliteit. Zie ook Factsheet lezen.
Recessie
Een recessie is een aanzienlijke terugval in de economische activiteit over de volle breedte van een economie, vaak gekenmerkt door twee of meer opeenvolgende kwartalen van krimp van het bruto binnenlands product. Tijdens een recessie nemen de industriële productie en bedrijfswinsten doorgaans af en loopt de werkloosheid op. Aandelenmarkten vertonen vaak grotere koersschommelingen rondom economische recessies. Zie ook De dotcombubbel.
Deflatie
Deflatie is een aanhoudende en algemene daling van het prijspeil van goederen en diensten binnen een economie. In tegenstelling tot een prijsdaling van één enkel product stijgt bij deflatie de koopkracht van geld, maar kunnen consumenten aankopen uitstellen en nemen reële schuldenlasten toe. Centrale banken streven daarom doorgaans naar een lage positieve inflatie om deflatie te vermijden. Zie ook Inflatie en je spaargeld.
Stagflatie
Stagflatie is een economische toestand waarin een stagnerende economie en oplopende werkloosheid samengaan met aanhoudend hoge inflatie. Deze combinatie bemoeilijkt economisch beleid, omdat renteverhogingen tegen inflatie de economische groei verder kunnen afremmen. Tijdens periodes van stagflatie staan bedrijfswinsten vaak onder druk terwijl de reële koopkracht van spaargeld afneemt. Zie ook Inflatie en je spaargeld.
Wisselkoers
Een wisselkoers is de prijs van de ene munteenheid uitgedrukt in een andere valuta. Wisselkoersen bewegen doorlopend op de internationale valutamarkt onder invloed van renteverschillen, handelsstromen en economische verwachtingen. Een wisselkoers van 1,08 EUR/USD betekent bijvoorbeeld dat één euro kan worden omgewisseld voor 1,08 Amerikaanse dollar. Zie ook Valutarisico bij dollarfondsen.
Welke kosten en tarieven spelen een rol bij ETF’s?
TER (lopende kosten)
De Total Expense Ratio, in Nederland vaak ‘lopende kosten’ genoemd: wat een fonds per jaar kost, als percentage van het belegde bedrag. Je betaalt het niet apart; het gaat doorlopend van het fondsvermogen af en zit in de koers. Bij 0,14% en €10.000 belegd is dat ongeveer €14 per jaar. De calculator trekt de TER per maand van het rendement af.
Kosten-erosie
Wat de fondskosten over de hele looptijd oplopen: het verschil tussen het bruto en het netto saldo in de calculator. Het bevat ook het rendement dat het weggevallen geld anders had opgeleverd, en is daardoor groter dan de optelsom van de jaarlijkse kosten. Zie Kostenniveaus vergeleken.
Transactiekosten
Wat een broker rekent per aan- of verkoop: een vast bedrag, een percentage of allebei. Bij kleine maandbedragen weegt een vast bedrag zwaar: €1 op een aankoop van €100 is 1%. De calculator rekent zonder transactiekosten.
Spread
Het verschil tussen de prijs waarvoor je op de beurs kunt kopen (laatkoers) en verkopen (biedkoers), door toezichthouders zoals de AFM ook aangeduid als de bied-laatspread (of bied/laat spread). Je betaalt het ongemerkt bij elke transactie. Bij grote, veel verhandelde ETF’s is de spread meestal klein. Niet in de calculator.
Valutakosten
Kosten voor het omwisselen van geld als je een fonds koopt in een andere munt dan die op je rekening, bijvoorbeeld een notering in dollars. Brokers rekenen daar vaak een percentage voor. Los daarvan beweegt een wereldwijd fonds mee met andere munten, ook als je het in euro’s koopt. Niet in de calculator.
Dividendlekkage
Bedrijven keren dividend uit, en het land van het bedrijf houdt daar vaak belasting op in. Wat een fonds daarvan niet kan terugkrijgen, gaat verloren: dat is dividendlekkage. Hoeveel het is, hangt af van waar het fonds gevestigd is (domicilie) en waarin het belegt. Het zit niet in de TER en niet in de calculator.
Tracking difference
Het verschil tussen het rendement van een fonds en dat van de index die het volgt, over een bepaalde periode. Daarin zitten de lopende kosten, maar ook andere effecten, zoals dividendlekkage en inkomsten uit het uitlenen van aandelen. Het kan daardoor groter of kleiner zijn dan de TER.
Marketmaker
Een marketmaker is een gespecialiseerde financiële partij die doorlopend bied- en laatkoersen afgeeft op de beurs om liquiditeit te garanderen. Bij ETF’s zorgen marketmakers ervoor dat beleggers op elk moment van de handelsdag kunnen in- of uitstappen tegen prijzen die dicht bij de onderliggende waarde van het fonds liggen. De aanwezigheid van concurrerende marketmakers zorgt er bijvoorbeeld voor dat de spread bij populaire wereldwijde ETF’s klein blijft. Zie ook Wat kost een ETF?.
Tracking error
Tracking error is de standaarddeviatie (beweeglijkheid) van de rendementsverschillen tussen een ETF en zijn benchmarkindex. Waar tracking difference het totale rendementsverschil over een volledige periode weergeeft, toont de tracking error hoe gelijkmatig en nauwkeurig het fonds de index van dag tot dag volgt. Een zeer lage tracking error betekent bijvoorbeeld dat een ETF zijn index stabiel volgt zonder onvoorspelbare uitschieters. Zie ook Wat kost een ETF?.
Valutarisico
Valutarisico (wisselkoersrisico) is het risico dat veranderingen in wisselkoersen tussen buitenlandse valuta en de eigen munteenheid het rendement beïnvloeden. Wie vanuit de eurozone belegt in Amerikaanse activa, ziet het rendement mede bepaald door de EUR/USD-wisselkoers. Wanneer de Amerikaanse dollar in waarde daalt ten opzichte van de euro, daalt de omgerekende waarde van die beleggingen in euro’s. Zie ook Valutarisico bij dollarfondsen.
Valutahedging
Valutahedging is een techniek waarbij financiële contracten, zoals valutatermijncontracten, worden ingezet om de invloed van wisselkoersschommelingen op buitenlandse beleggingen te neutraliseren. Een valuta-afgedekte ETF-aandelenklasse verkleint het wisselkoersrisico, maar brengt doorgaans extra afdekkingskosten met zich mee. Een naar de euro afgedekte S&P 500-ETF beschermt een belegger tegen een dalende dollar, maar kent een iets hogere kostenstructuur. Zie ook Valutarisico bij dollarfondsen.
Hoe werken fondsstructuren en ETF-kenmerken?
Accumulerend
Een accumulerend fonds keert dividend niet uit, maar belegt het opnieuw in het fonds. Je ziet het terug in de koers in plaats van als uitbetaling op je rekening. De calculator gaat ervan uit dat alle opbrengsten opnieuw belegd worden.
Distribuerend
Een distribuerend fonds keert dividend uit, bijvoorbeeld elk kwartaal. Wil je dat geld laten meegroeien, dan moet je het zelf opnieuw beleggen.
Domicilie
Het land waar een fonds juridisch gevestigd is, zoals Ierland of Luxemburg. Het domicilie bepaalt mede hoeveel belasting het fonds betaalt over ontvangen dividend, en daarmee de dividendlekkage. Het is meestal af te lezen aan de eerste twee letters van de ISIN.
Essentiële-informatiedocument (Eid)
Een verplicht document van hooguit drie A4’tjes over een beleggingsproduct, in het Engels KID. Je vindt er de kosten in, een risico-indicator op een schaal van 1 tot 7 en voorbeeldscenario’s. Meer uitleg geeft de AFM.
Fysieke en synthetische replicatie
Een fysiek replicerend fonds koopt de aandelen uit de index: allemaal (door de AFM aangeduid als volledige replicatie), of een representatieve selectie. Een synthetisch fonds krijgt het rendement van de index via een ruilcontract (swap) met een andere partij, en loopt daardoor ook risico op die partij.
Aandelenklasse
Eén fonds kan dezelfde portefeuille in meer dan één versie aanbieden: aandelenklassen. Een veelvoorkomend paar is een accumulerende en een distribuerende klasse: ze houden dezelfde beleggingen en verschillen in wat er met het dividend gebeurt.
Ticker
Een korte code voor een fonds of aandeel op één beurs. Hetzelfde fonds kan op verschillende beurzen of in verschillende valuta andere tickers hebben. De ISIN is de code die niet verandert.
Uitgever
Het bedrijf dat een fonds opzet en beheert en de documenten ervan publiceert, zoals Vanguard of iShares (in wet- en regelgeving formeel aangeduid als de uitgevende instelling, en in de praktijk ook wel de fondsaanbieder). Bij de uitgever komen de factsheet en het Eid vandaan.
Factsheet
De eigen samenvatting van het fonds met de belangrijkste cijfers: kosten, omvang, grootste posities en rendement uit het verleden. Een goede plek om een fonds te controleren voordat je op een cijfer vertrouwt. Meer bij Zo lees je een factsheet.
Basismunt
De basismunt (fondsmunt) is de primaire administratieve valuta waarin een ETF zijn bezittingen aanhoudt, de intrinsieke waarde berekent en verslag uitbrengt. Deze kan verschillen van de handelsvaluta waarin je de ETF op een Europese beurs aankoopt. Een wereldwijde ETF met de Amerikaanse dollar als basismunt kan bijvoorbeeld op Euronext Amsterdam gewoon in euro’s worden verhandeld. Zie ook FTSE All-World.
Effectenlening
Effectenlening (securities lending) is het tijdelijk uitlenen van effecten uit het fonds aan een financiële tegenpartij tegen onderpand en een leenvergoeding. De netto-opbrengst vloeit doorgaans grotendeels terug naar het fonds, waardoor een deel van de lopende fondskosten kan worden gecompenseerd. Een ETF die een fractie van zijn aandelen tijdelijk uitleent, verdient daarmee bijvoorbeeld een kleine vergoeding die de tracking difference ten opzichte van de index iets kan verkleinen. Zie ook Wat kost een ETF?.
Fondsvermogen
Fondsvermogen, internationaal aangeduid als Assets Under Management (AUM), is de totale beurswaarde van alle beleggingen die door een fonds worden beheerd. Grotere fondsen kunnen vaste kosten over meer geld spreiden, en een heel klein fonds wordt door de aanbieder vaker gesloten of samengevoegd. Een factsheet toont het fondsvermogen. Zie ook Hoe lees je een factsheet?.
Herweging
Herweging (rebalancing, bij toezichthouders zoals de AFM ook aangeduid als herbalanceren of het herbalanceringsbeleid) is het periodiek herstellen van de verhoudingen tussen effecten in een index of beleggingsportefeuille naar de oorspronkelijke regels of doelen. Indexbeheerders beoordelen een index op vaste data, vaak elk kwartaal, om bedrijven toe te voegen of te schrappen en aantallen aandelen en free float bij te werken. In een index die op beurswaarde weegt, veranderen de wegingen door koersbewegingen vanzelf, dus daarvoor hoeft niet gehandeld te worden. Zie ook MSCI World.
Ontwikkelde markten
Ontwikkelde markten zijn landen met een hoogontwikkelde economie, een hoog nationaal inkomen per inwoner en volwassen financiële markten met streng wettelijk toezicht. Belangrijke voorbeelden zijn de Verenigde Staten, Japan, het Verenigd Koninkrijk en eurolanden. De MSCI World-index belegt bijvoorbeeld uitsluitend in beursgenoteerde bedrijven uit 23 ontwikkelde landen. Zie ook MSCI World.
Opkomende markten
Opkomende markten zijn landen met een snel industrialiserende en groeiende economie waarvan de kapitaalmarkten zich volop ontwikkelen, maar soms gevoeliger zijn voor schommelingen en politieke risico’s. Bekende voorbeelden zijn onder meer India, Brazilië en Taiwan. Een all-world index-ETF zoals de FTSE All-World combineert opkomende markten met ontwikkelde markten voor een wereldwijde spreiding. Zie ook FTSE All-World.
PRIIPs
PRIIPs (Packaged Retail and Insurance-based Investment Products) is de Europese wetgeving die aanbieders van beleggingsproducten verplicht een gestandaardiseerd Essentiële-informatiedocument (Eid) aan particuliere beleggers te verstrekken. De regeling zorgt ervoor dat kosten, risicoscores en scenario’s in de hele EU op dezelfde manier worden weergegeven. Onder PRIIPs-regels mogen in de VS gevestigde ETF’s bijvoorbeeld niet aan particulieren in Europa worden verkocht zolang er geen Eid in het Europese formaat is. Zie ook Hoe lees je een factsheet?.
Prospectus
Een prospectus is een officieel juridisch document waarin de aanbieder van een fonds het beleggingsbeleid, de risico’s, de kostenstructuur en de voorwaarden uitvoerig vastlegt. Waar het Eid een beknopte samenvatting biedt, vormt het prospectus de volledige wettelijke basis van het fonds. Een belegger die de exacte regels rond replicatiemethoden of tegenpartijrisico’s wil nalezen, kan bijvoorbeeld het officiële prospectus raadplegen. Zie ook ETF’s.
Risico-indicator
De samenvattende risico-indicator (SRI) is een wettelijk verplichte score van 1 (laagste risico) tot 7 (hoogste risico) in elk Europees Essentiële-informatiedocument. De score combineert historische koersschommelingen en kredietrisico om beleggers een eenduidig beeld te geven van het mogelijke verlies. Een breed gespreide wereldwijde aandelen-ETF heeft in het Eid bijvoorbeeld doorgaans een risicoscore van klasse 4 op de schaal van 1 tot 7. Zie ook Hoe lees je een factsheet?.
Small-caps
Small-caps zijn beursgenoteerde ondernemingen met een relatief kleine marktkapitalisatie vergeleken met gevestigde multinationals. Waar reguliere large- en mid-cap-indexen deze bedrijven weglaten, nemen all-cap-indexen ze op voor een bredere marktdekking. De FTSE Global All Cap-index bevat bijvoorbeeld duizenden small-capbedrijven naast grote en middelgrote ondernemingen. Zie ook FTSE Global All-Cap.
Actief beheer
Actief beheer is een beleggingsstrategie waarbij fondsbeheerders zelfstandig effecten selecteren met als doel een referentie-index te verslaan. Deze aanpak vraagt diepgaande marktanalyses en regelmatige aan- en verkopen, wat doorgaans leidt tot hogere lopende kosten dan bij indexfondsen. Een actief beheerd fonds kan bijvoorbeeld bewust afwijken van de indexsamenstelling om extra rendement na te streven. Zie ook Wat is een ETF?.
Passief beheer
Passief beheer is een beleggingsstijl die een vaste index of regelgebaseerde marktindex volgt in plaats van effecten te kiezen op basis van koersvoorspellingen. Doordat passieve fondsen weinig mutaties uitvoeren en geen analistenteams nodig hebben, liggen de beheerkosten aanzienlijk lager dan bij actieve fondsen. Een passieve ETF op de MSCI World volgt bijvoorbeeld automatisch de indexsamenstelling zonder individuele bedrijven te selecteren. Zie ook Wat is een ETF?.
Geautoriseerde deelnemer
Een geautoriseerde deelnemer (authorised participant) is een grote financiële instelling met een overeenkomst met de ETF-aanbieder om direct grote pakketten ETF-aandelen te creëren of in te leveren. Deze partijen benutten prijsverschillen tussen de beurskoers en de onderliggende waarde, waardoor de marktprijs dicht bij de netto-inventariswaarde blijft. Noteert een ETF met een premie, dan creëert de deelnemer nieuwe stukken om het verschil te verkleinen. Zie ook Wat is een ETF?.
Creatie-eenheid
Een creatie-eenheid (creation unit) is een vastgesteld groot pakket ETF-aandelen—vaak tienduizenden stuks—waarmee een geautoriseerde deelnemer aandelen bij het fonds aanmaakt of intrekt. Particuliere beleggers handelen in losse stukken op de secundaire beurs, terwijl creatie-eenheden alleen op het primaire institutionele niveau worden ingezet. Een deelnemer levert bijvoorbeeld een aandelenmandje in en ontvangt daarvoor één creatie-eenheid van de ETF. Zie ook Wat is een ETF?.
Netto-inventariswaarde (NIW)
De netto-inventariswaarde (NIW of NAV) is de totale marktwaarde van alle bezittingen van een fonds verminderd met de verplichtingen, berekend per uitstaand aandeel. Waar traditionele beleggingsfondsen eenmaal per dag tegen de NIW worden verhandeld, schommelt de beurskoers van een ETF gedurende de dag rondom deze waarde. Op de officiële factsheet wordt het fondsrendement berekend op basis van deze inventariswaarde. Zie ook Factsheet lezen.
Premie ten opzichte van NIW
Een ETF noteert met een premie wanneer de beurskoers op de secundaire markt hoger ligt dan de actuele netto-inventariswaarde per aandeel. Dit kan ontstaan bij sterke aankoopdruk of wanneer de onderliggende buitenlandse effectenbeurzen gesloten zijn. Een ETF kan bijvoorbeeld met een premie van 0,20% noteren als kopers op de beurs meer bieden dan de actuele waarde van de onderliggende effecten. Zie ook Wat kost een ETF?.
Discount ten opzichte van NIW
Een ETF noteert met een discount (korting) wanneer de beursprijs lager ligt dan de actuele netto-inventariswaarde per aandeel van het fonds. Een discount ontstaat vaak bij sterke verkoopdruk of wanneer onderliggende markten tijdelijk minder liquide zijn dan de beurshandel. Geautoriseerde deelnemers kopen in dat geval aandelen op om ze in te leveren en de korting weer te neutraliseren. Zie ook Wat kost een ETF?.
Tegenpartijrisico
Tegenpartijrisico is de kans dat een zakelijke partner bij een financieel contract failliet gaat of verplichtingen niet kan nakomen. Bij ETF’s speelt tegenpartijrisico vooral bij synthetische fondsen die swaps gebruiken en bij het uitlenen van effecten (securities lending). Europese UCITS-regels verplichten synthetische fondsen daarom om passend onderpand aan te houden om eventuele verliezen te beperken. Zie ook Wat is een ETF?.
Staatsobligatie
Een staatsobligatie is een lening die door een nationale overheid wordt uitgegeven om overheidsuitgaven te financieren. Beleggers lenen geld aan de staat in ruil voor periodieke couponrente en de terugbetaling van de nominale waarde op de vervaldatum. Een staatsobligatie-ETF voor de eurozone belegt bijvoorbeeld in staatsschuld van landen zoals Nederland, Duitsland en Frankrijk. Zie ook Beurscrash doorrekenen.
Bedrijfsobligatie
Een bedrijfsobligatie is een lening die door een onderneming wordt uitgegeven om investeringen, bedrijfsuitbreidingen of overnames te financieren. Omdat bedrijven een groter faillissementsrisico dragen dan overheden, keren bedrijfsobligaties doorgaans een hogere couponrente uit. Een brede bedrijfsobligatie-ETF spreidt het belegde geld over honderden leningen van verschillende ondernemingen. Zie ook Beurscrash doorrekenen.
Coupon(rente)
De coupon (of couponrente) is de contractuele rentevergoeding die een obligatie-uitgever periodiek uitkeert aan de obligatiehouder, uitgedrukt als percentage van de nominale waarde. Deze uitkering vindt doorgaans jaarlijks of halfjaarlijks plaats volgens de uitgiftevoorwaarden. Een obligatie met een nominale waarde van €1.000 en een coupon van 3% keert bijvoorbeeld jaarlijks €30 aan rente uit. Zie ook Rente op rente berekenen.
Nominale waarde
De nominale waarde (face value) is het oorspronkelijke hoofdbedrag van een obligatie dat de uitgever op de vervaldatum aan de belegger terugbetaalt. Terwijl de beurskoers door renteschommelingen boven of onder pari kan noteren, vindt de aflossing plaats tegen deze nominale waarde. Een obligatie die op de beurs voor €980 is aangekocht, lost bij afloop af tegen de nominale waarde van €1.000. Zie ook Wat is een aandeel?.
Vervaldatum
De vervaldatum (einddatum) is de contractuele datum waarop de hoofdsom van een obligatie volledig moet worden afgelost door de lener, waarmee de lening afloopt. Na deze datum stoppen de couponbetalingen en wordt de hoofdsom aan de belegger uitgekeerd. Een tienjarige lening uitgegeven in 2026 bereikt bijvoorbeeld haar vervaldatum in 2036. Zie ook Rente op rente berekenen.
Variabelrentende obligatie
Een variabelrentende obligatie (floater) is een obligatie waarvan de couponrente periodiek wordt aangepast aan een extern referentietarief, zoals Euribor, vermeerderd met een vaste opslag. Doordat de rente meebeweegt met de marktrente, blijft de beurskoers van dergelijke obligaties relatief stabiel bij renteveranderingen. Een obligatie die elk kwartaal herrekent op basis van de geldmarktrente kent bijvoorbeeld beperkt renterisico. Zie ook Beurscrash doorrekenen.
Vastrentende obligatie
Een vastrentende obligatie is een schuldinstrument dat gedurende de gehele looptijd een vaste, ongewijzigde couponrente uitkeert. Beleggers ontvangen voorspelbare rente-inkomsten, ongeacht latere schommelingen in de marktrente of inflatie. Een vijfjarige obligatie met een vaste coupon van 2,5% betaalt bijvoorbeeld elk jaar exact dat percentage tot aan de aflossing. Zie ook Beurscrash doorrekenen.
Nulcouponobligatie
Een nulcouponobligatie (zero coupon bond) is een obligatie die tussentijds geen rente uitkeert. In plaats daarvan wordt de obligatie uitgegeven met een aanzienlijke korting op de nominale waarde; het rendement ontstaat volledig uit het verschil tussen de aankoopprijs en de uiteindelijke aflossing op pari. Wie een nulcouponobligatie koopt voor €800 en bij afloop €1.000 ontvangt, behaalt €200 aan totaalrendement. Zie ook Beurscrash doorrekenen.
Obligatie van beleggingskwaliteit
Een obligatie van beleggingskwaliteit (investment grade) heeft een kredietbeoordeling van ten minste BBB- (Standard & Poor’s) of Baa3 (Moody’s), wat duidt op een relatief laag ingeschat wanbetalingsrisico. Veel institutionele beleggers en ETF’s beleggen uitsluitend in deze categorie om het kredietrisico binnen de portefeuille te beheersen. Een investment-grade obligatie-ETF selecteert bijvoorbeeld alleen leningen van kredietwaardige debiteuren. Zie ook Risico en spreiding.
Hoogrentende obligatie
Een hoogrentende obligatie (high-yield of junk bond) heeft een kredietrating onder BBB-, wat wijst op een verhoogd risico dat de uitgever niet aan zijn verplichtingen kan voldoen. Ter compensatie van dit hogere risico bieden deze obligaties een aanzienlijk hogere couponrente dan leningen van beleggingskwaliteit. Een high-yield obligatie-ETF levert een hogere rentevergoeding op, maar kent ook grotere koersschommelingen bij economische tegenspoed. Zie ook Risico en spreiding.
Effectief rendement tot vervaldag
Het effectief rendement tot de vervaldag (yield to maturity) is het totale verwachte jaarlijkse rendement op een obligatie wanneer deze wordt aangehouden tot afloop, onder de aanname dat alle coupons worden herbelegd tegen dezelfde rente. Deze maatstaf combineert de actuele beurskoers, de nominale waarde, de couponrente en de resterende looptijd. Een obligatie die onder pari noteert, heeft bijvoorbeeld een effectief rendement dat hoger ligt dan de couponrente. Zie ook Rente op rente berekenen.
Kredietrisico
Kredietrisico (debiteurenrisico) is de kans dat een lener of obligatie-uitgever renteverplichtingen of de uiteindelijke hoofdsom niet op tijd kan terugbetalen. Leningen van financieel minder draagkrachtige partijen dragen een hoger kredietrisico en bieden daarom doorgaans een hogere rentevergoeding. Bedrijfsobligaties dragen over het algemeen meer kredietrisico dan staatsobligaties van stabiele overheden. Zie ook Risico en spreiding.
Renterisico
Renterisico is de kans dat schommelingen in de marktrente de marktwaarde van bestaande vastrentende obligaties verlagen. Omdat obligatiekoersen tegengesteld bewegen aan rentetarieven, dalen bestaande obligaties in koers wanneer de marktrente stijgt. Een obligatiefonds met een lange looptijd ervaart doorgaans grotere koersschommelingen bij renteveranderingen door centrale banken. Zie ook Risico en spreiding.
Kredietrating
Een kredietrating is een onafhankelijke beoordeling van de kredietwaardigheid van een lener of obligatie-uitgever door gespecialiseerde ratingbureaus zoals S&P, Moody’s en Fitch. Uitgedrukt in gestandaardiseerde letterschalen geeft de rating inzicht in de kans op wanbetaling. Uitgevende partijen met een AAA-beoordeling worden bijvoorbeeld beschouwd als partijen met de hoogste financiële betrouwbaarheid. Zie ook Factsheet lezen.
Wanbetaling
Wanbetaling treedt op wanneer een lener of obligatie-uitgever de verschuldigde rentebetalingen of de aflossing op de afgesproken vervaldatum niet kan voldoen. Wanbetaling kan leiden tot schuldherstructurering, surseance van betaling of gedeeltelijk kapitaalverlies voor obligatiehouders. Brede spreiding over honderden debiteuren verkleint de gevolgen van wanbetaling door één partij binnen een portefeuille. Zie ook Risico en spreiding.
Alfa
Alfa (alpha) meet het extra rendement van een beleggingsportefeuille ten opzichte van een gekozen benchmark, gecorrigeerd voor het marktrisico. Een positieve alfa betekent dat een actieve beheerder beter presteerde dan op grond van het risicoprofiel verwacht mocht worden, terwijl een negatieve alfa op achterblijvende resultaten wijst. Een actief fonds dat na kostenaftrek beter presteert dan zijn referentie-index genereert een positieve alfa. Zie ook Wat is een ETF?.
Bèta
Bèta (beta) meet de beweeglijkheid en gevoeligheid van een aandeel of fonds ten opzichte van de algemene markt of referentie-index. Een bèta van 1,0 geeft aan dat het effect gemiddeld even sterk meebeweegt als de index, terwijl een bèta van 1,2 betekent dat het tot nu toe ongeveer 20% meer heeft bewogen dan de benchmark. Defensieve nutsbedrijven vertonen bijvoorbeeld vaak een bèta lager dan 1,0 ten opzichte van brede aandelenindices. Zie ook Factsheet lezen.
ESG-criteria
ESG-criteria (Environmental, Social and Governance) zijn maatstaven op het gebied van milieu, maatschappij en behoorlijk ondernemingsbestuur die worden meegewogen bij beleggingsbeslissingen. Een ESG-screening kan bedrijven in tabak of fossiele brandstoffen uitsluiten of bedrijven met een hogere duurzaamheidsscore een zwaardere weging geven. Een ESG-gefilterde wereld-ETF sluit bijvoorbeeld bepaalde bedrijven uit op basis van vastgestelde duurzaamheidsnormen. Zie ook MSCI World.
Welke belastingbegrippen zijn van belang bij beleggen?
Dit is algemene uitleg, geen belasting- of beleggingsadvies. Voor je eigen situatie kun je terecht bij een gekwalificeerde belastingadviseur, een financieel adviseur met een AFM-vergunning of de Belastingdienst.
Box 3
Het deel van de Nederlandse inkomstenbelasting voor sparen en beleggen. In de basis gaat de belasting uit van een vastgesteld rendement over je vermogen boven het heffingsvrij vermogen, niet van wat je werkelijk verdient. De calculator rekent zonder Box 3. Actuele regels en bedragen staan bij de Belastingdienst.
Heffingsvrij vermogen
Het deel van je vermogen waarover je in Box 3 geen belasting betaalt. Het bedrag wordt per jaar vastgesteld en is hoger als je een fiscale partner hebt. Het actuele bedrag staat bij de Belastingdienst.
Dividendbelasting
Belasting die het land van een bedrijf inhoudt op uitgekeerd dividend, ook wel bronbelasting. De Nederlandse variant heet dividendbelasting. Wat een fonds aan bronbelasting betaalt en niet terugkrijgt, is dividendlekkage.
Fiscale beleggingsinstelling (FBI)
Een Nederlands fonds met een eigen belastingregime: het fonds betaalt in principe geen vennootschapsbelasting, maar moet zijn winst uitkeren. Sommige Nederlandse indexfondsen hebben deze vorm. Wat dat betekent voor de dividendlekkage, verschilt per fonds.
Welke beurs- en aandelentermen moet je begrijpen?
Aandeel
Een klein stukje eigendom van een bedrijf. Wie een aandeel koopt, wordt voor een klein deel mede-eigenaar. De waarde ervan kan stijgen en dalen. Zie Wat is een aandeel?.
Aandeelhouder
Iemand die één of meer aandelen van een bedrijf bezit en daarmee een klein deel van dat bedrijf.
Beurs
De markt waar aandelen en ETF’s worden gekocht en verkocht, via een broker.
Koers
De prijs van een aandeel of ETF op een bepaald moment. De koers verandert doordat kopers en verkopers het steeds opnieuw eens worden.
Dividend
Een deel van de winst dat een bedrijf uitkeert aan zijn aandeelhouders. Niet elk bedrijf keert dividend uit, en een bedrijf kan ermee stoppen. Wat een fonds aan dividendlekkage verliest, is iets anders.
Concentratierisico
Het risico dat een groot deel van je geld in één bedrijf of één onderdeel van de markt zit. Valt dat tegen, dan voel je dat sterk. Zie Het risico van één bedrijf.
Spreiding
Je geld verdelen over veel bedrijven, zodat een tegenvaller bij één bedrijf maar voor een klein deel meetelt. Spreiding vermindert het risico van één bedrijf, niet het risico van de markt als geheel.
Dividendrendement
Dividendrendement is het jaarlijkse dividend dat een bedrijf of fonds uitkeert, uitgedrukt als percentage van de actuele beurskoers. Het percentage toont de verhouding tussen de uitkering en de beurskoers, maar vormt geen garantie voor toekomstige inkomsten of totaalrendement. Als een aandeel of ETF bijvoorbeeld noteert op €100 en over het jaar €3 aan dividend uitkeert, is het dividendrendement 3%. Zie ook FTSE All-World High Dividend.
Ex-dividenddatum
De ex-dividenddatum is de dag waarop een aandeel of distribuerende ETF voor het eerst noteert zonder het recht op de eerstvolgende dividenduitkering. Wie het dividend wil ontvangen, moet de aandelen vóór deze datum bezitten; op de beurs daalt de koers op deze dag doorgaans met ongeveer het dividendbedrag. Wie een ETF op of na de ex-dividenddatum aankoopt, heeft bijvoorbeeld geen recht meer op de aanstaande uitkering. Zie ook FTSE All-World High Dividend.
Biedprijs
De biedprijs (biedkoers) is de hoogste prijs die een koper op een bepaald moment op de beurs bereid is te betalen voor een effect. Wie een aandeel of ETF direct verkoopt met een marketorder, krijgt doorgaans de geldende biedprijs uit het orderboek. Noteert een fonds bijvoorbeeld een biedkoers van €100,00 en een laatkoers van €100,04, dan verkoopt de belegger tegen €100,00. Zie ook Wat kost een ETF?.
Laatprijs
De laatprijs (laatkoers) is de laagste prijs waartegen een verkoper op dat moment bereid is een effect op de beurs te verkopen. Wie direct koopt via een marketorder, rekent af tegen de geldende laatprijs in het orderboek. Het verschil tussen een laatkoers van €100,04 en een biedkoers van €100,00 vormt de spread. Zie ook Wat kost een ETF?.
Marketorder
Een marketorder (bestensorder) is een beursopdracht aan een broker om een effect direct uit te voeren tegen de geldende marktprijs van dat moment. Uitvoering vindt snel plaats, maar de uiteindelijke transactieprijs staat niet vooraf vast en kan afwijken bij weinig liquiditeit. Bij volatiele handel kan een marketorder daardoor tegen een andere koers worden afgewikkeld dan de laatst getoonde koers. Zie ook Wat is een aandeel?.
Stoplossorder
Een stoplossorder is een beursopdracht die automatisch verandert in een marketorder zodra de koers zakt tot of onder een vooraf ingestelde stopkoers. Dit ordertype helpt potentiële koersverliezen te begrenzen, al garandeert het bij snelle marktcorrecties geen vaste verkoopprijs. Een ingestelde stopkoers van €45 zorgt dat de aandelen direct bestens worden aangeboden zodra dat niveau wordt geraakt. Zie ook Risico van één bedrijf.
Stoplimietorder
Een stoplimietorder is een beursopdracht die een limietorder plaatst zodra een gekozen stopkoers wordt bereikt, in plaats van een bestensorder. Hierdoor wordt de order uitsluitend uitgevoerd tegen de limietprijs of beter, al bestaat het risico dat de order blijft openstaan als de koers snel verder wegzakt. Een belegger kan bijvoorbeeld een stopkoers van €50 combineren met een limiet van €48. Zie ook Wat is een aandeel?.
Primaire markt
De primaire markt is de markt waarop nieuwe effecten voor het eerst worden uitgegeven en geplaatst om kapitaal op te halen. Bij ETF’s is de primaire markt de plek waar geautoriseerde deelnemers effecten direct omwisselen met de fondsbeheerder om nieuwe aandelen te creëren. Een beursgang (IPO) van een onderneming vindt bijvoorbeeld plaats op de primaire markt. Zie ook Wat is een aandeel?.
Secundaire markt
De secundaire markt is de effectenbeurs waarop beleggers reeds uitgegeven effecten onderling kopen en verkopen, zonder tussenkomst van de uitgevende instelling. Beurzen zoals Euronext functioneren als secundaire markten voor de dagelijkse handel in ETF’s en aandelen. Wie via een broker ETF-aandelen aankoopt, handelt met een andere partij op de secundaire markt. Zie ook Wat is een aandeel?.
Derivaat
Een derivaat is een financieel contract waarvan de waarde en uitkomst zijn afgeleid van een onderliggende waarde, zoals een aandeel, index of rentevoet. Veelvoorkomende derivaten zijn opties, futures en swaps. Een synthetische ETF gebruikt bijvoorbeeld derivatencontracten om het indexrendement te leveren zonder alle onderliggende aandelen zelf aan te houden. Zie ook Wat is een ETF?.
Onderliggende waarde
De onderliggende waarde is het effect, de index, grondstof of valuta waarop een afgeleid product zoals een optie, future of ETF is gebaseerd. Koersbewegingen van de onderliggende waarde bepalen direct de waardeontwikkeling van het gekoppelde product. De MSCI World-index dient bijvoorbeeld als de onderliggende waarde voor een wereldwijd indexfonds. Zie ook MSCI World.
Future (termijncontract)
Een future (termijncontract) is een gestandaardiseerde beursovereenkomst om een onderliggende waarde op een afgesproken moment in de toekomst te leveren of af te rekenen tegen een vooraf vastgestelde prijs. Futures worden dagelijks verrekend op grond van actuele beurskoersen. Fondsbeheerders gebruiken soms indexfutures om tijdelijk cashposities te beleggen voordat fysieke aandelen worden aangekocht. Zie ook Wat is een ETF?.
Optie
Een optie is een afgeleid financieel contract dat de koper het recht geeft, maar niet de plicht, om een onderliggende waarde gedurende een bepaalde periode tegen een vooraf afgesproken uitoefenprijs te kopen (call) of te verkopen (put). Voor dit recht betaalt de koper een optiepremie aan de verkoper. Een aandelenoptie geeft bijvoorbeeld het recht om 100 aandelen tegen een vaste koers af te nemen vóór de expiratiedatum. Zie ook Risico van één bedrijf.
Largecaps
Largecaps zijn aandelen van gevestigde beursgenoteerde ondernemingen met een hoge beurswaarde, doorgaans boven de €10 miljard afhankelijk van de gehanteerde indexregels. Deze toonaangevende bedrijven kenmerken zich doorgaans door stabiele omzetten en een hoge handelsliquiditeit op de beurs. Brede wereldwijde indices zoals de MSCI World bestaan voor het grootste deel uit largecaps. Zie ook MSCI World.
Midcaps
Midcaps zijn aandelen van middelgrote beursgenoteerde ondernemingen die qua beurswaarde tussen de grote multinationals en kleine bedrijven in vallen. Deze ondernemingen combineren vaak een bewezen bedrijfsmodel met ruimte voor verdere groei. Een wereldwijde all-cap index combineert largecaps met midcaps en smallcaps voor een volledige marktdekking. Zie ook MSCI World.
Grondstof
Een grondstof (commodity) is een gestandaardiseerd fysiek handelsproduct of basisgoed, zoals ruwe olie, goud, koper of graan, dat wordt verhandeld op gespecialiseerde termijnmarkten. Grondstoffen zijn onderling uitwisselbaar en dienen als grondstof voor industriële productie en consumptie. Sommige beleggers gebruiken grondstoffondsen om naast aandelen en obligaties blootstelling aan grondstoffenprijzen op te bouwen. Zie ook Risico en spreiding.
Kasstroom
De kasstroom (cashflow) is het netto bedrag aan liquide middelen dat gedurende een periode een onderneming binnenstroomt en verlaat. De operationele kasstroom toont het geld dat direct wordt gegenereerd met de kernactiviteiten, los van boekhoudkundige afschrijvingen. Een bedrijf met een aanhoudend positieve vrije kasstroom kan bijvoorbeeld investeringen financieren of dividend uitkeren. Zie ook Wat is een aandeel?.
Nettowinst
Nettowinst is het uiteindelijke positieve resultaat van een onderneming nadat alle bedrijfskosten, inkoopkosten, renteverplichtingen en belastingen van de totale omzet zijn afgetrokken. Het getal vormt het overgebleven winstbedrag dat ten goede komt aan het eigen vermogen of kan worden uitgekeerd. In het jaarverslag maakt een beursgenoteerd bedrijf de nettowinst bekend om de winstgevendheid te tonen. Zie ook Wat is een aandeel?.
Winst per aandeel
De winst per aandeel (earnings per share of EPS) is een financiële kernindicator die ontstaat door de nettowinst van een onderneming te delen door het totale aantal uitstaande aandelen. Het maakt de winstgevendheid per aandeelhoudersstuk inzichtelijk en onderling vergelijkbaar. Een bedrijf met €100 miljoen nettowinst en 50 miljoen aandelen realiseert bijvoorbeeld een winst per aandeel van €2,00. Zie ook Wat is een aandeel?.
Koers-winstverhouding
De koers-winstverhouding (k/w of P/E ratio) is een waarderingsmaatstaf die de actuele beurskoers van een aandeel vergelijkt met de winst per aandeel. De verhouding toont hoeveel beleggers op de beurs betalen voor één euro aan jaarlijkse bedrijfswinst. Een aandeel met een koers van €40 en een winst per aandeel van €2,00 heeft bijvoorbeeld een koers-winstverhouding van 20. Zie ook Wat is een aandeel?.
Short gaan
Short gaan (short selling) is een beleggingsstrategie waarbij een belegger effecten leent en verkoopt op de beurs, met het doel deze later tegen een lagere koers terug te kopen. Stijgt de beurskoers in plaats van te dalen, dan kunnen de verliezen theoretisch ongelimiteerd oplopen omdat koersen geen maximum kennen. Short gaan verschilt wezenlijk van langetermijnbeleggen in ETF’s, dat gericht is op vermogensgroei. Zie ook Risico van één bedrijf.
Longpositie
Een longpositie houdt in dat een belegger een effect daadwerkelijk aankoopt en bezit met het oogmerk dat de waarde over de tijd toeneemt. Bij een longpositie profiteert de belegger van koersstijgingen en dividenden, terwijl het maximale verlies beperkt blijft tot de oorspronkelijke inleg. Het aankopen en langdurig vasthouden van ETF-aandelen vormt een klassieke longpositie. Zie ook Wat is een aandeel?.
Solvabiliteit
Solvabiliteit is de mate waarin een onderneming in staat is om op lange termijn aan al haar financiële verplichtingen en schulden te voldoen. De solvabiliteit wordt berekend door het eigen vermogen af te zetten tegen het totale vreemde vermogen, wat inzicht geeft in het weerstandsvermogen bij economische tegenslag. Analisten beoordelen de solvabiliteitsratio van een bedrijf alvorens te beleggen in diens aandelen of obligaties. Zie ook Risico van één bedrijf.